Sunday, April 20, 2008

Angèle Manteau overleden

BRUSSEL - Ze was op weg naar de honderd en noemde zichzelf steeds vaker een ‘angry old woman’. Angèle Manteau moest vaak scherpe kritiek incasseren, maar ze zal de geschiedenis ingaan als de grote dame van het Vlaamse boekenvak.

Bijna veertig jaar was Angèle Manteau actief als uitgeefster van literaire boeken. Ze was avontuurlijk en had een neus voor kwaliteitsvolle literatuur die aansloeg bij een breed publiek. Daarnaast beschikte ze over een grote dosis zakelijk inzicht. Zelf noemde ze haar werklust als grootste troef.

Johan Daisne, Hubert Lampo en Louis Paul Boon debuteerden tijdens de oorlogsjaren in haar fonds. In de jaren zestig vond de generatie van Jef Geeraerts, Ward Ruyslinck, Jos Vandeloo en Paul Snoek een warm onderkomen bij Manteau.

Auteurs uit de stal getuigen dat Angèle Manteau belezen was en nieuwe inzichten aanreikte. Over haar waardeoordeel bleef ze zelf altijd nuchter. ‘Ik heb nooit veel talent gehad voor literaire bewondering’, zei ze in een interview in deze krant. ‘Enige nuchterheid en kritische zin kunnen voor een uitgever nooit kwaad.’

Angèle Manteau, dochter van een Rijselse textielfabrikant, werd in Dinant geboren. Ze raakte per toeval in de Nederlandse literatuur verzeild. Toen ze aan de ULB scheikunde ging studeren, woonde ze in Schaarbeek op kamers bij de Nederlandse journalist en literator Jan Greshoff. Daar kwamen beroemde schrijvers over de vloer als Adriaan Roland Holst, Simon Vestdijk, Willem Elsschot en Maurits Roelants. Door naar hun gesprekken te luisteren, raakte Manteau in de ban van de taalmuziek van het Nederlands.

Haar eerste baantje had ze bij de Nederlandse uitgever A.A.M. Stols. Daarna werd ze importeur van Nederlandse boeken. Zeulend met koffers vol literatuur trok ze langs de boekhandels. In 1938 begon ze een eigen fonds, waarin ook de uitgeverij van Leo J. Kryn opging. De gelijknamige debuutprijs was een fuik voor talent, met Boon en de piepjonge Claus als eerste laureaten.

Dat ze beide schrijvers kwijtspeelde aan Nederlandse uitgevers, werd haar altijd kwalijk genomen. Van De Kapellekensbaan, dat Boon zelf ‘een meesterwerk in kipkap’ noemde, zou Manteau het bijzondere karakter niet ingezien hebben. Haar eigen stelling luidde: ‘Niet ikzelf, maar het katholieke Vlaanderen weigerde Boon’.

Ze vond het ook logisch dat talentvolle auteurs naar Nederland trokken, waar ze op hogere honoraria en een grotere verkoop konden rekenen. Qua marktstrategie probeerde Manteau zich zo goed mogelijk aan de Nederlandse normen aan te passen. Ze bouwde een breed fonds uit, waarin schrijvers van alle gezindten een plaats vonden. Met vertalingen van Franse literatuur, onder meer het werk van Françoise Sagan, scoorde ze bestsellers.

Vooral de oorlogsjaren, toen de import uit Nederland stilviel, waren bijzonder lucratief voor de uitgeverij. Wie de bedrijvigheid en de hoge oplagen in tijden van papierschaarste verdacht vond, kreeg van Manteau te horen dat Belgen nu eenmaal arrangeurs zijn.

In de gloriejaren van de uitgeverij kreeg Angèle Manteau legendarische secondanten. In 1964 trad Jeroen Brouwers in dienst als redacteur en taalcorrector. Twee jaar later werd Julien Weverbergh — die haar later zou opvolgen als directeur — een vaste medewerker.

Met Brouwers vocht Manteau een vete later uit. De auteur lanceerde in zijn mémoires over het Manteautijdperk het verhaal dat de ingezonden manuscripten van Vlaamse schrijvers destijds grondig herschreven werden. Brouwers schrok er ook niet voor terug om Manteau een over het paard getilde uitgeefster te noemen, een ‘dievegge’ en iemand die vond dat alle schrijvers zeurpieten waren.

Weverbergh omschreef Manteau als een intrigante. Greta Seghers, die een discutabele biografie publiceerde, noemde haar een ‘glaciale persoonlijkheid’ en une vieille dame indigne. Manteau had dus best veel vijanden. Het beeld van de koele tante van het boekenvak en de autoritaire uitgeefster zou haar blijven achtervolgen.

Nederlandse uitgeverijen waren van bij het prille begin altijd hoofdaandeelhouders geweest van Manteau. Toen dat in 1970 tot spanningen leidde, stapte Angèle Manteau over naar Elsevier Sequoia. Ze werd zes jaar lang literair directeur in Amsterdam.

Tot op hoge leeftijd bleef ze begaan met het uitgeversbedrijf. Met Wim Hazeu richtte ze in 1983 nog uitgeverij Hadewych op. In 1985 werd ze op verzoek van Elsevier adviseur van haar vroegere fonds en nam ze kortstondig de dagelijkse leiding over.

Angèle Manteau was gehuwd met de hoogleraar François Closset, een Germanist en vrijmetselaar, die in 1964 overleed. Het echtpaar bleef kinderloos. In 1986 werd de uitgeefster in de adelstand verheven. Ze verhuisde van haar woonst in het Pajottenland naar een seniorie in Aalst, luttele kilometers van de Kapellekensbaan. In 2000 verscheen nog een bundeling van haar teksten en lezingen over het boekenvak.

In 1998 zorgde ze voor opschudding door haar persoonlijke archief niet aan het AMVC Letterenhuis, maar aan de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag te schenken. Een deel ervan belandde uiteindelijk toch in Antwerpen.

De alfabetische namenlijst van haar correspondentie zag er bepaald indrukwekkend uit. Met de grote namen uit de Nederlandstalige literatuur van de voorbije zestig jaar had ze contact: van Emmanuel De Bom, de eerste auteur die ze uitgaf, tot Oscar van den Bogaard.



Related posts

0 comments: